donderdag 24 december 2009

Het vrije paard in het pension


Deze maand heb ik niet veel contacten gehad met vrije dieren omdat mijn aandacht en tijd onder andere werden gevraagd door huisdieren en hun eigenaren.
Het waren mooie, intensieve gesprekken waarin veel gebeurde en opgehelderd werd. Heel fijne, heel verdrietige en moeilijke dingen kwamen boven en ook heel indrukwekkende.
Over het laatste gesprek wil ik graag wat schrijven op deze blog over vrije dieren.
De avond voor kerstavond tolkte ik in een gesprek tussen een man en zijn paard. Er waren eigenlijk geen problemen en dat bleek meteen al toen ik contact maakte met het paard: hij begroette de man intens en bleef in mijn beeld een tijd lekker tegen hem aan staan. Ik moest hem echt de tijd geven voor we het gesprek konden beginnen, zo blij was het paard dat hij op deze manier contact had met de man.
Tijdens het gesprek ervoer ik de sterke band tussen deze twee.
Het paard is de leider van een kudde van negen paarden en de man is de leider van het paard. Beiden vullen hun natuurlijk leiderschap in op basis van respect en gelijkwaardigheid. Er wordt niks met geweld opgelegd waardoor er geen verzet optreedt bij de ander(en).
Het voelde voor mij als een enorme bevrijding om kennis te maken met een paard dat geen last heeft van zijn verleden. Dat geen last heeft van gedrag van mensen waardoor frustraties ontstaan.
Ik vertelde de man dat ik ook met vrije dieren praat en dat ik in dit paard een vrij dier zag, ondanks dat hij ’s avonds en ’s nachts op stal staat. De man was blij dit te horen omdat hij hoopte dat zijn omgang met het paard dit effect zou hebben op het dier.
Beiden wisten we dat het paard zich heel anders zou gedragen als deze man zijn wil op een autoritaire en dominante manier zou opleggen aan het dier. De man wist het omdat het dier erg druk was toen hij hem leerde kennen en niemand achter de middenlijn van de stal mocht komen. En ik wist het omdat het dier een enorm verzet liet zien in de periode dat hij een maand bij een handelaar stond.
Een dier heeft altijd het laatste woord en het beeld dat dit paard liet zien was zijn hoofd met wapperende manen in de blauwe lucht. Een vrij dier. Een dier dat kan zijn zoals hij is doordat hij een mens heeft gevonden die goed naar hem luistert en zuiver met hem omgaat.

Zo vlak voor de kerst vond ik dit een erg mooie ervaring. Zijn wie je bent. Het is het thema van dit moment voor mij en dit paard liet me weer zien hoe mooi iemand is die kan zijn wie hij is. Wat een enorme rust en kracht gaat er van een dier of mens uit als hij kan zijn wie hij is.
Daar gaan we naartoe met z’n allen, daarvan ben ik overtuigd!
En ik ben er ook van overtuigd dat de diercommunicatie in deze vorm daaraan kan bijdragen. Want dieren hebben ons veel te vertellen waardoor wij geholpen kunnen worden om te worden wie we zijn.

zaterdag 19 december 2009

De geiten en hun vonnis


Toen de petitie 'Teken tegen ruiming gezonde dieren' bij me binnenkwam vond ik dat ik eerst de geiten moest horen. Het kostte een paar dagen voor ik zo dapper was om dit te doen. Naar mijn idee had ik alle mogelijke reacties intussen al bedacht zodat ik niet geschokt zou zijn.
De trouwe lezer van deze blog zal niet verbaasd zijn dat er weer iets uit kwam wat ik totaal niet verwacht had!


Als ik contact zoek, merk ik dat de geiten erg op afstand blijven. Zoals gewoonlijk vraag ik of één geit woordvoerder wil zijn. De teruggetrokkenheid blijft en dan hoor ik dat ze niet gewend zijn om alleen te spreken.
Ik zeg dat ik het ook prima vind om de hele groep te spreken, als het maar verstaanbaar is voor me.
De geiten laten weten dat ze dienstbaar zijn. Ze zijn er als fokgeiten en de groep is erg belangrijk voor ze. Als ze meer individueel hadden willen leven waren ze andere geiten geweest (op een kinderboerderij, bij particulieren).
Op mijn vraag hoe hun leven is, antwoorden ze dat het eten goed is, dat het droog is en ze zijn in de groep.
Ze weten allang wat hun boven het hoofd hangt. Hun enige angst is dat ze afgezonderd worden. Omdat ze zo in de groep leven, is afzondering niet goed, zeggen ze.
Verder vragen ze rust en aandacht op het moment dat alles in scène gezet wordt. Ze willen er geen stress omheen maar in alle rust en met aandacht een spuitje krijgen, tussen de andere geiten.
Ze laten me zien dat dit moeilijk zal zijn omdat het onrust zal geven als er veel mensen op de boerderij komen.
Ze weten dat er rond die mensen daadkracht zit en ze laten me voelen dat die daadkracht een stuwende kracht is die niet relaxed is. Dat fokt hen op.
Rust vanuit mensen is beter, zeggen ze. Ze laten me zien dat het rustig kan als mens en dier op één relaxte energielijn zitten.
‘Vinden jullie het erg om dood te gaan?’ vraag ik.
‘Je gaat ergens anders weer verder,’ is het rustige antwoord.
Ik vraag hen wat ik voor ze kan doen.
‘De paniek is niet nodig. Laat ze het rustig doen.’ Iedere keer laten ze dat beeld zien: hou de rust erin!
Ze vertellen dat de boeren op een diepteniveau zitten. ‘Wij niet. Wij zijn niet gezakt.’
En ze vervolgen: ‘Laat de boeren tot het laatste moment genieten van ons.’ Ze geven het beeld van een normale dag waarop zij op stal staan en de boeren hun werk doen en er harmonie in de stal is.
Ik vraag of ze de boeren nog wat te zeggen hebben.
‘Het heeft geen zin als ze in de put blijven zitten.’
Dan vraag ik of zij er tegenop zien als maandag alles begint.
‘Het moment zal niet leuk zijn door de stress en de druk,’ zeggen ze en ik voel de onrust die er dan zal ontstaan. Maar ze laten ook weten: life goes on. Zoals dieren me vaker zeggen: dood bestaat niet, het gaat ergens anders verder.
Als laatste vertel ik hen dat een vriendin het advies gaf om hen allemaal in het licht te zetten.
‘Zet de boeren maar in het licht,’ hoor ik. ‘Zij hebben het nodig.’

woensdag 16 december 2009

De vrije kater

Ik denk dat we allemaal in ons leven wel eens een ontmoeting hebben gehad met iemand waarvan we onder de indruk zijn.
Of misschien is er iemand uit de geschiedenis die een voorbeeld voor je is. Ghandi, Martin Luther King, noem maar op.
Zoals je ‘grote geesten’ onder de mensen hebt, zie je dat ook bij dieren.
Vorige week mocht ik er weer één ontmoeten via mijn werk als dierentolk.
Het ging om een kater die jarenlang de schrik van de buurt was. Hij had geen huis waarin hij woonde en heet dan zwerfkat of wilde kat.
Deze gezonde kerel is door heel wat mensen bij hun huizen vandaan geschopt als hij de vrouwtjes weer eens thuis bezocht.
Tot hij ervoor koos om zijn intrek in een huis te nemen. Hij vertelde dat hij met uiterste zorg het huis en de bewoonster heeft uitgekozen en zich gesetteld heeft.
Zo’n drie jaar geleden bracht hij ineens een kleine zwarte pers mee die moord en brand schreeuwde bij de achterdeur. Ze bleek uitgehongerd en kwam vanaf die dag elke dag eten waarna ze weer verdween. Totdat ze een paar weken later vier jongen onder het bed verstopte. Zelf nam ze ook haar intrek in het huis maar is tot op de dag van vandaag schuw.
Tijdens het gesprek waarin ik tolkte tussen de vrouw waar hij bij ingetrokken is en hem, had ik de neiging de kater met ‘u’ aan te spreken. De hele tijd had ik een koninklijk gevoel, waardig en gracieus.
De vrouw herkende dat meteen en vindt hen ook een koninklijk paar.
Ik vertelde haar dat ik ook met vrije dieren praat. Zij antwoordde dat ze in deze twee katten de vrije dieren herkent die ze zijn en ze daarin kan laten. Dat was ook de reden dat de kater háár heeft uitgekozen.
De kater liet mij de hele tijd het huis zien met een open deur.
‘Nou, ik heb echt de deur wel dicht, hoor,’ lachte de vrouw. Maar voor de kater voelt het als een in- en uitgaand huis. Hij is vrij.
Op dit moment laat zijn lichaam het afweten. Dat was ook de reden dat ik ingeschakeld werd. Deze kater had niet door dat het er zo ernstig voor staat.
Na een intens verdrietig gevoel heeft hij zich kunnen neerleggen bij zijn naderende eind. Op het eind van het gesprek lag hij languit aan de voeten van de vrouw, terwijl hij normaal gesproken op die tijd buiten zou zijn.
Ik denk regelmatig aan deze kater. Ik hoop dat hij rustig zelf kan sterven, zonder ingrijpen van de dierenarts. Als hij het niet meer aankan, zal hij het de vrouw laten weten.
Als deze kater gaat, gaat er een grootheid.
Is dat niet bijzonder? Wat speelt er zich toch allemaal af tussen hemel en aarde dat deze twee katten, die zo koninklijk zijn, ervoor kozen om in deze vorm dit soort leven te leiden?

donderdag 26 november 2009

De krab


De krab moppert in eerste instantie en hoeft niet zo nodig contact.
Ik vertel hem dat ik het toch wel erg leuk zou vinden en vraag of hij iets wil laten zien van zichzelf.
Hij laat me ervaren dat hij heel laag bij de grond leeft en dat zijn leefgebied een heel horizontaal leefgebied is. Er is geen verticale uitwisseling.
Om contact met hem te krijgen moet ik voor mijn gevoel ook laag kruipen.
‘Als je mij wilt bereiken, moet je laag komen,’ is zijn droge conclusie.
Toevallig las ik van de week dat iemand het had over het ‘krabbenmand-effect’: de krabben verhinderen elkaar om uit de mand te kruipen.
‘Ik ben nooit in een mand geweest,’ reageert de krab. ‘Wij zijn niet gemaakt voor vertikaal, zeg ik net. Wij leven horizontaal. Maak onderin de mand een gat en we zijn er zo uit. Je kunt niet iets doen waarvoor je niet gemaakt bent. Dat proberen is zinloos. Krachtsverlies.’
Ik ben even stil als ik deze wijsheid tot me door laat dringen en gelijkertijd krijg ik van de krab een gloomy, zacht neuriënd gevoel door.
‘Heb jij humor?’ vraag ik spontaan.
‘Lachen heb je nodig als er ook verdriet is,’ antwoordt hij. ‘Het gaat zoals het gaat. Dan is er geen verdriet. Verdriet is als je verlies ervaart. Wij verliezen niets want het gaat zoals het gaat. Daar hoort geen verlies bij.’
Ik geef hem het beeld dat hij zonder water zou moeten leven. Wat dan?
‘Als er geen water meer zou zijn, dan zou ik doodgaan. Als het zo zou gaan, dan gaat het zo. Dat is geen verlies, geen verdriet voor mij.’
‘Horen verlies en verdriet dan bij de mens?’ vraag ik.
‘Het hoort niet bij ons.’
Ik vraag hem of hij de pieken (het lachen, het verdriet) mist.
‘Ik leef. Ik heb alles.’
‘Jij hebt niks te wensen?’
‘Ik heb niks te wensen.’
Wat leeft deze krab in een volmaakte gelukzaligheid!

Het 'IJsselkonijn' (2)


Vanochtend troffen de hond en ik het IJsselkonijn. Dood.
Ik was er een beetje beduusd van. Eergisteren hadden we hem nog hard zien rennen en moest de hond toegeven dat hij hem bij lange na niet kon bijhouden.
Thuisgekomen maak ik contact met hem en hij laat zien dat hij hard rende en ineens was het boem! afgelopen. Kennelijk een hartstilstand. Hij is er zelf ook verbaasd over.
Volgens hem is het niet zo heel lang geleden gebeurd: ‘Als je gevoeld had, had je nog wat warmte gevoeld.’
‘Wat moet er met je lichaam?’ vraag ik.
‘Leg het maar in de bosjes.’ Hij geeft door dat hij er niet voor gekozen zou hebben om zo open en bloot te eindigen.
Ik vraag me af waaraan konijnen sterven en of een hartstilstand wel kan.
‘Je rent met de klok mee,’ legt hij uit, ‘En staat die stil, dan staat ie stil.’
En dan: ‘Ik ga nog niet meteen. Ik ga eerst nog afscheid nemen van de omgeving. Ik heb hier met veel plezier geleefd.’
Ik grinnik dat hij inderdaad een turbokonijn was die door het leven racete.
‘Ik vond het heerlijk om hard te rennen. Je hebt zelf gezien hoe hard het ging!’ vertelt hij trots.
‘Toen ik bij je lichaam stond had ik niet het gevoel alleen te zijn,’ zeg ik, ‘En het kostte me ook moeite om weg te gaan.’
‘Ik was er ook nog.’
We spreken af dat hij nog wat rondkijkt op het veld, dat ik nog wat dingen ga doen en dan zijn lichaam ga verbergen.
‘Dan zal ik gaan,’ vertelt het konijn.
Ik vraag of hij zich daar aan mij kenbaar kan maken en ik hoor: ‘Ik zal je voorhoofd beroeren.’
Even later ga ik naar het dode lichaam toe. Het was een prachtig konijn! Zwaar ook. Ik zoek een plek in de bosjes waar ik hem neerleg en bedek hem met takken en bladeren.
En dan sta ik te wachten of ik wat voel. Hét bewijs … wat blijf ik soms toch een ongelovige Thomas …
Ik voel alleen wind en de regen komt ook weer terug. Net als ik weg wil gaan, hoor ik ter hoogte van mijn voorhoofd: ‘Ik kom terug.’

Voor het eerste contact met het 'IJsselkonijn', zie: http://pratenmetvrijedieren.blogspot.com/2009/10/het-ijsselkonijn.html


Amerikaanse dierentolk Penelope Smith schrijft in een van haar boeken over een konijn dat net aangereden was door een auto. Zij maakt er altijd gewoonte van om te informeren bij een overleden dier of hij de overgang goed heeft kunnen maken. Dit konijn vertelde dat hij er ontzettend op kickt om vlak voor auto’s weg te schieten. Dit was nu al de vierde keer dat het mis ging, zei hij olijk. Penelope Smith heeft het dier gevraagd een andere hobby te kiezen want mensen schrikken erg als ze een konijn aanrijden!

woensdag 25 november 2009

De beroemd geworden zwaluwen

Van een bloglezer kreeg ik onlangs ‘A Love Story’ door. Onder de foto's staat de tekst die de wereld rond gaat:



Hier is het vrouwtje ernstig gewond geraakt. Ze is aangereden door een auto terwijl ze laag over de weg scheerde.

Hier brengt hij haar voedsel en geeft zijn liefde en compassie.

Hij brengt haar opnieuw voedsel maar was ontsteld toen hij ontdekte dat ze dood was.

Hij probeert haar te bewegen ... een zeldzaam geziene inspanning bij zwaluwen!

Er bewust van dat zijn lieveling dood is en nooit meer terug zal keren naar hem, schreeuwt hij het uit van innige liefde ...

Hij staat naast haar, treurend om haar dood. Uiteindelijk beseffend dat ze nooit meer terug zal keren naar hem, staat hij naast haar met intens verdriet.
Miljoenen mensen waren diep geraakt na het zien van deze foto's in Amerika en Europa. De fotograaf verkocht deze foto's voor een nominale vergoeding aan de beroemdste krant in Frankrijk. Alle exemplaren van die editie waren op de dag van uitbrengen, uitverkocht. En veel mensen denken dat dieren geen hersenen of gevoel hebben?Je bent zojuist getuige geweest van Liefde en toewijding … gevoeld door Gods schepsels.
Vorig jaar november kreeg ik deze foto’s met bijbehorende tekst ook al door.
Experimentele vriendin Petra vroeg toen of ik niet es contact kon maken met deze vogels. Ze was erg benieuwd wat ik eruit haalde.
Ziehier wat ik doorkreeg:
Als ik contact leg, krijg ik door: ‘Wij waren één. De dood verscheurt. Maar soms is er geen houden aan. Ik wilde niet dat ze ging. Ik voelde me geamputeerd. Maar dit gebeurt onder de mensen ook. Het is de normale gang van zaken.’
Ik vraag hem waarom mensen zo geraakt zijn door de foto’s.
‘Ze zien hun eigen verdriet gespiegeld.’
Ik vraag of hij wist dat ze gefotografeerd werden. ‘Ja.’
Dan vraag ik of hij wist dat het mensen heeft beroerd. ‘Ja.’
Dan vervolgt hij: ‘Mensen zijn raar. Ze hebben ons nodig om hun eigen verdriet te plaatsen. Het is plaatsvervangend voor hun eigen verdriet. Wij zijn alleen fysiek gescheiden. We zijn nu weer samen.’
Ik vraag hem wat iemand mij vroeg, namelijk wat vogelgezang bij mensen doet. ‘Trillingen van vogels werken genezend.’
Hij zegt: ‘Zwaluwen hebben als taak schoonheid/frêle te laten zien. Wij zijn seizoenwaarschuwers. Wij maken capriolen, vermaken mensen, zijn er om speelsigheid en luchtigheid te brengen.’
Ik heb het weer over de foto’s en vraag of mensen ze zielig moeten vinden. ‘Het is eigen verdriet. Het fysieke heeft een eind maar in de geest zijn we één.’
Wat hij te zeggen heeft, is: ‘Mensen, leef!! Doe luchtig! Met dat zware kun je niet opstijgen. Neem een voorbeeld aan de vrijheid van vogels, die vrolijk fluiten en capriolen maken.’
Ik attendeer hem op regen, donker en honger die vogels ook moeten doorstaan. ‘Dat gaat voorbij. De zon gaat weer schijnen! Mensen doen zó zwaar! Het is niet wat je ziet. Het leven is buiten het fysieke. Het fysieke is het omhulsel, de ballast.’
Ik vraag hem waarom hij krijste bij het lichaam van het vrouwtje. ‘Ik wilde niet dat ze ging. Maar het is tijdelijk verdriet. Het was ook een ode. Het was een mooie vogel. We hadden het goed samen.’
Dan vervolgt hij: ‘Mensen moeten de fysieke dood accepteren. Er gaat niks verloren in de kosmos. Alles blijft.’
Ik vraag hem of hij het goed vindt dat ik het vrouwtje ook benader. ‘Ja, hoor haar verhaal ook maar.’
Ik bedank hem en krijg terug: ‘Geen dank.’
Als ik contact heb met het vrouwtje krijg ik meteen door: ‘Hij heeft gelijk. Ik ging eerder. Je gaat zelden gelijkertijd.’
Ik vraag of het dan moeilijk is om te gaan. ‘Hij komt me wel na. Hij was nog niet klaar op aarde.’
Op mijn vraag of ze wist van het fotograferen antwoordt ze bevestigend.
Ik vraag of ze ook wist van de foute interpretatie die erop volgde. ‘De een zijn tijd is niet de ander zijn tijd.’ Vervolgens vraag ik of zij hem heeft gehoord toen ze dood ging. ‘Ik heb zijn ode, zijn liefdeslied gehoord. Daardoor kon ik vredig weggaan. Het is niet wat je ziet op de foto.’
Ze vervolgt: ‘Mensen moeten leren het echte te voelen. Niet inhaken op het eerste, wat ze menen te zien, het verdriet/het verlies. Er zit liefde achter. Ja, alles is liefde.’
Ze geeft nog meer door: ‘Kijk, onderzoek, voel, wees bereid. Dieren zijn een prachtige ingang. Wij zijn allemaal één. Mensen zijn te zwaar om op te stijgen.’
Zij: ‘De gevangen dieren hebben nachtelijke ondersteuning nodig. Vrije dieren niet. Die hebben hun bestemming. Gevangen dieren hebben het zwaar. Die stijgen ook niet op. Daarom moeten mensen ze ondersteunen, hen verlichten.’
Ik geef haar het laatste woord en krijg te horen: ‘Halleluja! Vlieg vredig en vrij!’



zondag 15 november 2009

Kleine beschouwing (2)

Als tolk tussen huisdieren en mensen merk ik dat mensen en dieren dezelfde gevoelens hebben. Er zijn mensen die zeggen dat je met die vergelijking dieren vermenselijkt maar het is beter om te zeggen dat je dieren verwezenlijkt door hun gevoelens te erkennen.
In de gesprekken met de vrije dieren merk ik nooit negatieve gevoelens. Ik vroeg me af hoe dat komt en legde die vraag voor aan de kosmos (of welke naam je er ook maar aan wilt geven).
Ik hoorde dat huisdieren afhankelijke dieren zijn. En afhankelijkheid maakt kwetsbaar.
Vrije dieren zijn puur. Ze zijn zoals ze geschapen zijn en dat is goed (wie zei ook alweer dat Hij zag dat het goed was?).
Een te klein leefgebied, door inmenging van mensen, zorgt echter voor frustraties en dan ontstaan er botsingen tussen vrije dieren en mensen.
Al het gedrag van vrije dieren is gebaseerd op leven en overleven.
Ik kreeg beelden van grazende en jagende dieren, dieren die slapen en lekker rondlopen of –vliegen. Ook zag ik dieren wegrennen voor hun achtervolger; hun levenskracht zorgt ervoor dat ze de benen nemen maar als ze toch ten prooi vallen dan is het ook goed; voor hen is dit fysieke leven dan over ten gunste van het dier dat hem als voedsel nodig heeft.
In al dit leven en overleven zit levenskracht.
Het niet kunnen zijn wie je bent ondermijnt de levenskracht en de gezondheid.
Dan spelen de lagere gevoelens op (kennelijk zowel bij mensen als bij huisdieren). Als het leven zich op dat niveau gaat afspelen, is het een warboel. Mensen en dieren worden beknot.
Zijn wie je bent … een mooi streven voor alle wezens.
De vrije dieren geven ons het voorbeeld.
Een huisdier kun je ook laten zijn wie hij is, naar zijn soort en karakter.
Op de raakvlakken tussen mens en dier kunnen we van elkaar genieten.

Het varkentje op de foto vindt het heerlijk om geaaid te worden!

Kleine beschouwing (1) is te lezen op: http://pratenmetvrijedieren.blogspot.com/2009/05/kleine-beschouwing.html

dinsdag 10 november 2009

De landschildpad

Deze schildpad geeft meteen rust en wijsheid door. Een soort ‘belegen’ gevoel, een ‘mij maak je niet gek’-houding.
Ik zeg hem dat hij niet verbaasd lijkt mij te treffen.
‘Er is veel informatie in deze regionen,’ vertelt hij rustig.
Hij vertelt dat hij hier soms verblijft en zich daarna terugtrekt in zijn lichaam.
‘Letterlijk in je schild,’ merk ik op.
‘Ja, in mezelf.’
Ik vraag hem wat hij zoal doet als hij zich in de regionen bevindt waarin we elkaar nu treffen.
‘Nu ontmoet ik jou,’ antwoordt hij. ‘Anders ‘wandel’ ik hier. Als ik stillig dan ben ik hier. Niet als ik beweeg.’
Ik haak even in op zijn lichamelijke beweeglijkheid. De mensen die deze foto stuurden, vertelden dat de schildpadden gaan blazen als je dicht in de buurt komt.
‘Wij kunnen niet wegrennen. We moeten ons op een andere manier duidelijk maken. Mijn lijf en een stukje eromheen is mijn terrein.’
Ik opper dat mensen hem misschien wel willen aaien.
‘Als ze aan me komen, bijt ik,’ klinkt het stellig. ‘Mensen zijn dwingend. Laten niet vrij. Ze priemen hun energie in je. Ik ben gesteld op mijn eigen energie.’
Ik denk aan zijn enorme schild en hoor: ‘Er liggen eeuwen in opgeslagen.’
Ik vraag me af of ik het goed verstaan heb.
‘Ik hou het vast in mijn schild zodat het niet verloren gaat,’ voegt hij eraan toe.
‘Je bent een soort archief of zo …’
‘Veel dieren rennen of lopen rond zonder het verleden. Zij zijn vrij. Wij dragen het verleden.’
‘Is dat een last?’ vraag ik.
‘Dat is rijkdom.’
Mijn gedachten schieten even naar de uil die ik een keer sprak en die een functie lijkt te hebben voor veel dieren om hem heen. In een beeld laat de schildpad zien dat dit voor het moment is.
‘Wij dragen de aardse groei in ons mee. Waar andere dieren zijn uitgestorven, zijn wij blijven bestaan. Eeuwenlang. Wij bewaren, houden vast, maar verouderen niet. Wij staan (kijken) open de wereld in.’
Ik moet hier even over nadenken en denk aan de Griekse landschildpad die ik in mei sprak. Hij vertelde dat wat in hun schild zit, geheim is. Hij had het over reizen door eeuwen.
‘Het is bijna niet te bevatten,’ beken ik.
‘Ik heb geprobeerd begrijpelijk te zijn,’ zegt hij geduldig. ‘Je moet door heden, verleden en toekomst kunnen reizen. Als je dat niet kunt, begrijp je het niet. Alles is een geheel. Er is niet één van de drie. Het is een drie-eenheid.’
De schildpad heeft door dat ik over zijn informatie moet nadenken.
‘Je mag terugkomen,’ zegt hij.

Het contact met de Griekse landschildpad is hier te lezen: http://pratenmetvrijedieren.blogspot.com/2009/05/de-schildpad.html

donderdag 5 november 2009

De zeeleeuw

Bij deze foto kwam een tekst mee: ‘Deze zeeleeuw kwam contact zoeken. We landden met ons bootje 's morgens vroeg in een baai en de zeeleeuw kwam aan zwemmen, maakte geluid, kwam naar ons toe, als een kind dat wil zeggen: 'Kijk eens naar mij'.’
Ik leg dit voor aan de zeeleeuw. Hij reageert: ‘Veel mensen kijken wel maar zien ons niet. Ik wil mijn schoonheid laten zien, mensen ervoor wakker schudden.’
Van hem begrijp ik dat hij onderscheid maakt tussen toeristen en de plaatselijke bevolking. De bevolking leeft meer met de zee en is ook gevoelig voor de spiritualiteit daaromtrent. Ze voelen het, pakken het op.
Toeristen staan verder weg en hij wil ze prikkelen.
Ik vraag hem wat hij denkt dat toeristen zien als hij zich presenteert.
‘Speelsheid. Vrijheid.’
Ik vertel hem dat een zeehond me eens vertelde dat vrijheid in je hoofd zit en dat ik dat zo’n mooie opmerking vind dat ik een speelgoedzeehond heb gekocht die me daaraan kan helpen herinneren.
Deze zeeleeuw sluit zich helemaal aan bij die opmerking. Hij voegt toe: ‘De zee en haar bereik is zo groot. De landmensen zijn zo beperkt.’
Hij vertelt dat hij ballast ziet bij mensen.
‘Als mensen in ons opgaan, ontstaat er ruimte. Verwondering. Ze vergeten zichzelf even.’
Hij typeert zichzelf als een vrolijk, open dier.
Ik vraag hem of hij huisdier zou kunnen zijn.
‘Ik zou het wel kunnen. Ik zou wel iets kunnen opofferen.’
Dat roept bij mij de vraag op of huisdieren zich altijd opofferen.
‘Als huisdier moet je vrijheid inleveren en iets met mensen hebben.’
Hij laat zien dat hij vrijheid van bewegen heeft (hij buitelt alle kanten op) en dat alles wat hij doet goed is.
‘Dat moet je kunnen: denken dat dat wat je doet, goed is,’ legt hij uit.
‘Mensen zouden door onze vrijheid de weg kwijtraken. Mensen zouden gek worden van de keuzes aan wegen. Voor mij zijn ze allemaal goed. Ik ben goed zoals ik ben.’
‘Wat is je advies aan mensen?’ vraag ik hem.
‘Zie jezelf ook zo!’

woensdag 4 november 2009

De landleguaan

Deze foto is recent gemaakt op de Galapagos eilanden. Degene die daar op vakantie is geweest stuurde nog veel meer mooie dieren op dus aankomende tijd zal deze blog weer gevuld worden!

Als ik deze leguaan benader, bemerk ik meteen reserve.
Het contact gaat langzaam maar ik pas me altijd makkelijk aan een dier aan.
‘Waarom zou ik met je praten?’ vraagt hij me.
Ik vertel hem dat het van mij gewoon nieuwsgierigheid is en dat ik er veel plezier in heb.
Een gesprek beginnen met dit dier gaat niet makkelijk.
Daarom vraag ik hem of hij wat kan vertellen van zichzelf.
Hij laat zien lange tijd rust te nemen.
‘Ik laat energie binnen komen. Ik absorbeer. Als er genoeg energie in me zit, kan ik lopen. Ik moet van buitenaf worden opgeladen.’
Hier moet ik even over nadenken. Iedereen krijgt energie van eten maar daar doelt dit dier niet op. Hij laat voelen dat hij energie door heel zijn huid opneemt.
Ik vertel hem dat ik dit nog nooit met/door een dier heb meegemaakt.
Het gesprek stagneert weer en ik raak afgeleid met mijn gedachten. Dat vertel ik hem ook.
‘Je probeert iets uit mij te halen,’ zegt hij, ‘maar dat moet ik weer aanvullen. Dit gesprek kost mij energie. Kom nog maar es terug. Als ik meer reserve heb.’
Ik begrijp dat ik op een verkeerd moment kom en vriendelijk nemen we afscheid.

woensdag 28 oktober 2009

De meeuwen

Heel vaak trekken er enorme groepen meeuwen langs en over ons schip. Vroeger zei een van de kinderen dan: ‘O mam, het gaat weer meeuwen!’
De meeuwen zitten ’s nachts in grote groepen in de haven en als ik op tijd buiten ben (als het nog niet helemaal licht is) dan zie ik hoe de groep zich oplost.
Ik vraag de meeuwen of het klopt dat ze ’s nachts bij elkaar zijn en overdag alleen.
‘Overdag vliegen we uit. Ieder gaat voor zich maar toch zijn we een geheel. ’s Avonds komen we als groep terug. We houden het warm met elkaar (in de zin van beschermd) en in de winter houden we het ijs weg.’
Het beeld dat ze me doorgeven is dat ze ’s nachts een concentratie meeuwen zijn en overdag uitvliegen. Het doet me denken aan een bloem die zich ’s nachts sluit en in de ochtend weer opengaat.
Ik ben altijd gefascineerd door de snelheid waarmee ze vliegen in de groep. Volgens mij botsen ze niet en ik vraag hoe dat komt.
‘Je weet elkaars ruimte en komt niet in andermans vliegruimte,’ antwoorden ze. ‘Je geeft allebei mee. Conflicten ontstaan als één niet meegeeft. Met zo’n houding zouden we als groep niet kunnen vliegen.’
Ik vergelijk het met mensen en vraag of het voelt als inleveren als je ruimte moet maken.
‘Inleveren? Nee, er is ruimte genoeg.’
Ze laten zien dat de vliegvorm steeds verandert, de continue beweging zorgt steeds voor andere vormen.
‘Je kent elkaars ruimte en respecteert die,’ is hun logische redenering.
In vergelijking met hen zie ik hoe vast wij mensen zitten.
‘Mensen kunnen ook niet vliegen.’ De meeuwen laten me voelen dat zij de menselijke vorm als erg beklemmend ervaren.
Op de een of andere manier meen ik het op te moeten nemen voor mensen en laat zien hoe wij ons ook door de lucht kunnen verplaatsen.
Er wordt gebromd dat mensen zich láten vliegen.
‘Jullie blijven afhankelijk van voertuigen of ander materiaal.’
Ik moet ze helemaal gelijk geven. Het is heerlijk om de vrijheid van de vogels te voelen.
Het maakt dat ik moet lachen om ons, mensen: waar maken we ons toch allemaal druk om?!

zondag 18 oktober 2009

De pinguïns

Via een foto van een groep pinguïns vraag ik of ik contact kan krijgen met één pinguïn.
Heel bescheiden treedt er een naar voren maar tegelijkertijd trekt hij zich terug.
‘Dit is ongebruikelijk,’ hoor ik.
Ik merk dat ze erg op de groep gesteld zijn en laat weten dat het ook goed is als ik met meerdere pinguïns contact heb. Meteen zie ik drie of vier pinguïns naar voren komen.
Ze laten me zien in het water ontzettend snel te zijn en op het land ‘massiever’. Ze zijn als groep aan elkaar geschakeld.
‘We zijn allemaal drager van het geheel,’ hoor ik.
Ze laten zien hoe jongen via de ouders in het geheel opgenomen worden. Het beeld dat ze doorgeven is dat jongen langs de ‘poten’ van de ouders omhoog, in de groep pinguïns, opgenomen worden in het groter geheel.
Als de jongen groot genoeg zijn, krijgen ze vanuit dat grotere groepsgeheel een ‘poot’ naar beneden. Dan zijn het zelfstandige, volwassen pinguïns die ook weer jongen kunnen krijgen en grootbrengen.
Het proces gaat dus van onder naar boven en weer naar onder.
‘In de periode van het kind-zijn gaan nogal wat pinguïns verloren,’ wordt me verteld. ‘Je moet door je ouders ‘omhooggetild’ worden.’
Ik meen te begrijpen dat ze bedoelen dat jonge pinguïns bijgestaan worden tot hun volwassenheid/zelfstandigheid.
Ik krijg het gevoel dat de pinguïns zich terugtrekken en meen dat ze een niet veel groter bewustzijn hebben dan de plaats die ze daadwerkelijk innemen op aarde. Dat ze de ruimte gebruiken die ze hebben maar niet een groot overzicht hebben zoals bij voorbeeld dolfijnen.
Als ik naar de klimaatverandering probeer te gaan, krijg ik ook geen ingang. Er is geen protestgedrag bij de pinguïns. Ik vermoed dat het een gebrek aan overzicht is.
Ik ga naar een afsluiting van het gesprek en hoor van de pinguïns dat ze het wel zwaar vonden om dit gesprek te voeren.
‘Normaal gesproken bevinden we ons in de groep,’ leggen ze uit.
‘Mag ik jullie dan heel hartelijk bedanken?’ vraag ik welgemeend. Maar ze zijn al weg.

De ijsbeer

Als ik contact zoek met de ijsbeer twijfelt ze of ze zal doorlopen of gaan zitten om mij te woord te staan.
Ze laat een grote brul horen waarbij ze grote tanden laat zien.
‘Ik ben op mijn rust gesteld,’ vertelt ze.
Ik weet door deze houding van haar niet goed waar te beginnen en denk ineens aan Grote Beer en Kleine Beer, de kinderboeken. Ik vertel haar daarover en laat zien hoe Grote Beer een goede ouder is voor Kleine Beer.
‘Wij zorgen goed voor jongen,’ haakt ze in. ‘Wij hebben plezier met jongen.’ (Uit informatie van internet lees ik later dat alleen vrouwtjes de jongen opvoeden. Daarom ga ik er vanuit dat ik nu met een vrouwtje contact heb gehad.)
Ik vertel haar dat iemand mij deze foto gestuurd heeft en er een aantal vragen bij had, onder andere over de klimaatverandering.
‘Waarom bedenk je je eigen vragen niet?’ hoor ik.
Ze laat zich nu ontspannen zien en ik krijg de indruk dat ze met me speelt. Ze ligt op haar rug te rollen, met de poten omhoog.
Ik raak er een beetje door van slag (wie heeft de regie?) en vraag of ze wat van zichzelf kan vertellen.
Ze vertelt dat haar humeur ineens kan omslaan.
‘Ik wil met rust gelaten worden.’
Een beetje verschrikt vraag ik of ze doelt op dit moment maar dat is het niet.
Ze wil haar leven graag relaxed in alle rust en stilte leven. Ze wil op geen enkele manier verstoring. Ze kan ontzettend geprikkeld raken door externe geluiden (ik krijg hierbij sneeuwscooters en schepen door).
Ze laat weten dan ontzettend geagiteerd, boos, te kunnen worden.
‘Wegrennen is veiliger voor me. Aanvallen is de wens maar ik denk niet dat ik win.’
Ik probeer toch naar de klimaatverandering te gaan en hoor dat een kleiner leefgebied ook een aanval, een beperking is.
‘Hoe minder ruimte, hoe opgefokter,’ vertelt ze.
Ze vertelt erg op zichzelf te zijn en ik begrijp dat niet alleen zij maar de soort op zichzelf is.
Ik probeer informatie te krijgen over ijsberen in dierentuinen maar hoor dat ik dat de betreffende beren zelf moet vragen.
Nogmaals vraag ik naar haar en haar leven. Ze laat zien hoe ze relaxed en slow over de witte vlakte loopt.
‘Ik heb heel veel ruimte en rust nodig.’
Ik zie het beeld van een ijsbeer die langzaam en alleen door de vlakte loopt. Alleen, maar niet eenzaam. De stilte en ruimte heeft ze echt nodig.
Tussendoor had ik nog even de gelegenheid om te vragen naar ons begrip ‘ijsberen’. Ik kreeg te horen dat het in dat geval gaat om ongedurig, humeurig zijn.

De dikdiks (3)

Ik zou nog eens contact opnemen met de dikdiks (na de gesprekken in september) omdat het mij onduidelijk was hoe het nou zit met de groepsgeest. Waar ik van hen de indruk kreeg dat het groepsdieren zijn, zag ik op internet dat ze monogame relaties hebben en in een territorium leven.
In dit gesprek wordt me uitgelegd dat dikdiksen een heel sterk collectief bewustzijn hebben.
Ergens op internet had ik gelezen dat het krijgen van jongen in een dierentuin moeizaam gaat en ik vraag hoe het zit met dikdiksen in dierentuinen.
‘Die zijn afgesloten van ons. Ze zijn gevangen achter hekken. Er zit een sterke storing door het contact met hun. Zij zijn eenzaam en verloren. Ze worden gek in de kop. Het is te klein voor ze.’
De dikdiks laat me ervaren dat het bewustzijn van een dikdiks een groepsbewustzijn is en heel groots, heel uitgestrekt is.
Nogmaals hoor en ervaar ik dat in dierentuinen de kop van een dikdiks bijna uit elkaar knalt. Het grootse bewustzijn kan niet weg.
Er wordt me uitgelegd dat vrije dikdiksen over een heel hoge muur een beetje contact/bewustzijn kunnen geven aan hun mededieren. Maar de dierentuindikdiksen kunnen niet terugzenden. Hun bewustzijn is gevangen.
De dikdiks verzekert me dat ze zich wel ontfermen over de dierentuindieren.

woensdag 14 oktober 2009

De mammoet en de maan

Het gebied waaruit ik mijn informatie krijg, is onuitputtelijk.
Een vriendin weet dat. Zij komt altijd op dingen die ik niet kan verzinnen.
Ik vroeg haar: ‘Hoe kom je toch altijd op die gedachten??!!’
‘Geen idee. Of liever: een overdosis aan ideeën. Heb alleen afzetmarkt nodig, want kan ze nooit allemaal zelf realiseren …’
De stap naar contact zoeken met een mammoet laat niet lang op zich wachten.
Het is me inmiddels bekend dat wij hier op aarde in de lineaire tijd leven maar dat die tijd niet geldt in andere gebieden. Daar gaat verleden, heden en toekomst gelijk op. Dus waarom niet proberen contact te krijgen met een mammoet?
Ik zie een mammoet in ijsgebied en voel meteen droefheid. Het is stil om hem heen, er is eenzaamheid, het is donker en kil. Onderontwikkeld.
‘Daar moet je niet naar terug willen,’ hoor ik.
Ik krijg door dat alles, inclusief de mammoet, daarna een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt. Dat er meer kleur, geur en schoonheid is gekomen.
Diezelfde dag heeft mijn vriendin een nieuw idee: vraag de maan es!
De maan zie ik als een bloeiende planeet en ik hoor: ‘Alles zal ingevuld worden, zal kleur krijgen, tot ontwikkeling komen. Uiteindelijk is niks kleurloos. Overal zal het bloeiend en stralend zijn.’
Ik denk dat de mammoet destijds niet geloofd zou hebben dat de aarde er uit zou zien zoals ze er nu uitziet.
Het is dan ook niemand kwalijk te nemen als hij mijn beeld van de maan niet kan geloven of bevatten.

zondag 11 oktober 2009

De dolfijn (vervolg)

De dolfijn vervolgt: 'Wij hoeven niet naar mensen te gaan. Wij gaan vrijwillig. Wij hebben overvloed.'
Ik haal het beeld voor ogen van grote groepen mensen die naar dolfijnen op zoek zijn en ze soms wel en soms niet treffen.
'Weet je welke mensen je moet hebben?' vraag ik.
'Ik wachtte jou toch ook op?' is het antwoord.
De onuitgesproken wens komt bij me op om dolfijnen in het echt te ontmoeten.
'Je hoeft ons niet echt te zien om ons te kunnen ervaren,’ hoor ik.
Dan vertel ik haar dat ik heb gehoord van een jongeman in Indonesië die door een dolfijn behoorlijk tegen een kant van een bassin was gedrukt.
'Dan zal hij iets hebben moeten leren.'
Ik vraag naar de dolfijnen in het Dolfinarium en andere dolfijnencentra.
'Die dieren hebben hun vrijheid ingeleverd. Zij zijn dienstbaar. Het zijn ruime geesten dat ze het kunnen opbrengen in gevangenschap te kunnen leven.'
Zij vervolgt: 'Het verlangen naar vrijheid kan er zijn maar dit was hun keus.'
'Ik hoef dus geen medelijden te hebben met die dieren?'
'Je hoeft nooit medelijden te hebben met een dier. Alles is een keus. Waar een dier terecht komt is een keus: als vrij dier, als huisdier, als dierentuindier. Alles heeft zijn zin.'
Daarop vraag ik of het dan overbodig is dat we ons als mensen inzetten voor dierenleed, milieu etc.
'Nee, het is goed dat de mens de aarde naar een hoger plan wil trekken. Maar onthoud dat alles zijn zin heeft. Laat je niet ontmoedigen. Ga met een ruim hart door. Laat je niet naar beneden halen door misbruik van dier of natuur. Verlaag jezelf niet. Weet dat elk gestorven dier zich opgeofferd heeft. Hij is onderdeel van het plan.'
Ik trek de conclusie: 'Dus alles wat er gebeurt is goed?'
'Ja, maar streef naar het hogere, ook in relaties. Help als mens de aarde omhoog brengen. Toon geen onverschilligheid maar accepteer wel dat dingen gaan zoals ze gaan.'
Ik vraag de dolfijn of zij optimistisch is.
'Vanuit mijn ruime bewustzijn kan ik niet anders dan optimistisch zijn.'
En: 'Dank elk (gedood) dier in gevangenschap voor zijn taak, zijn opoffering. Het is goed zoals het is.'
Ik stel haar nog de vraag wat zij van diercommunicatie vindt en hoor: 'Het is een manier. De dieren hebben veel te vertellen als je kunt luisteren.'
Daarop voegt ze zich weer bij de groep en ga ik ook weer terug.

De dolfijn

De bruinvis had me geadviseerd met een dolfijn te praten.
Ik heb me gericht op Monkey Mia, een plek in Australië waar veel mensen heengaan om dolfijnen te ontmoeten.
Meteen maakt een vrouwtjesdolfijn zich los uit de groep en nodigt me uit met haar mee te gaan, los van de groep.
Terwijl ik met haar zwem, vertel ik dat ik ondertussen ook opschrijf wat ik ervaar.
'Je moet ook delen. Het is niet alleen voor jou,’ antwoordt de dolfijn.
Het daar rondzwemmen is heel vredig. Ik merk een heel groot bewustzijn op bij de dolfijn.
Vanuit deze plek in het water zien we de kust, met mensen (en de groep dolfijnen ervoor zwemmend) en het is heel duidelijk dat mensen een klein bewustzijn hebben en veel lijden.
De dolfijn wijst me ook met woorden op het kleine bewustzijn: 'Mensen denken dat ze groot(s) zijn, maar kijk es hoe klein het bewustzijn is.'
Ik vertel dat ik door de bruinvissen ben gestuurd.
'Wij zijn niet overal. De bruinvissen zijn tussenpersonen.'
Vermoedelijk vraag ik onbewust naar de interesse van mensen in dolfijnen want ik hoor: 'Mensen voelen iets van onze grootsheid, van ons licht.'
Daarop vraag ik of dolfijnen leed kennen.
'Uit onze overvloed tippen wij mensen aan. Wij verliezen er niks door maar mensen ontvangen kracht, goede ervaringen.'
Uit dit antwoord en uit het feit dat ik geen leed voel, ga ik ervan uit dat zij niet ons leed kennen. Of beter gezegd: ze leven niet met ons leed.

Het 'IJsselkonijn'

De laatste tijd zie ik vaak een konijn op mijn wandeling op het weiland bij de IJssel. Hij rent als een speer weg en maakt behoorlijke sprints.
Ik vertel het konijn dat ik altijd vol bewondering naar hem kijk (is het wel steeds dezelfde?) en hij laat weten te genieten van het rennen.
Meestal zie ik konijnen op het Industrieterrein waar wij wonen en ik vraag waarom dit konijn hier is.
‘Je kiest de plek die je fijn vindt,’ vertelt hij. ‘Het is hier relatief rustig.’
Ik laat hem het beeld van honden zien die hier uitgelaten worden.
‘Ik ben veel sneller.’
Hoe zit het dan met het stijgende water, wil ik weten. Het is op dit moment heel laag maar het kan meters stijgen.
‘Bij stijgend water ga ik weg. Ik merk dat, ik laat me niet overdonderen. Ik trek me dan terug op land.’
Hij laat zien dat hij goed weet wat er om hem heen gebeurt.
‘En muizen dan?’ wil ik weten. Ik zie altijd zoveel kleine holletjes dat ik me vaak heb afgevraagd hoe die dieren dat doen met hoog water.
‘Dat moet je ze zelf vragen.’
‘Jij laat je niet overdonderen door het water?’
‘Ik ben geen waterkonijn.’
Ik voel me een beetje stom in zijn aanwezigheid want ik laat me wel vaak door het stijgende water verrassen.
Nogmaals vertel ik hem dat ik hem bewonder om zijn snelle rennen en ik zeg dat ik de volgende keer mijn fototoestel meeneem. Misschien wil hij wel op de foto. Tot die tijd moeten we het doen met deze foto van zijn leefterrein.

vrijdag 2 oktober 2009

De muskusrat

Ondanks het feit dat er veel muskusratten zijn in Nederland, schijnen maar weinig mensen er een te zien. En zeker overdag niet.
Ik was dan ook aangenaam getroffen toen ik dit dier heel gemoedelijk zag knagen aan drijvend gras en takjes, vlak naast een groep eenden.
We komen meteen to the point en hebben het over de cyclus van de muskusrat: voortplanten, gedood worden, voortplanten, gedood worden.
Hij is er laconiek onder: ‘De aanwas van ons is groter dan de vernietiging van ons door de mens.’
Hij laat zien hoe ze leven en zegt: ‘Dit is wat wij doen. Dat kunnen wij niet veranderen.’
We zien allebei de tegengestelde belangen van de muskusrat en de mens. Het is de dualiteit in dit aardse leven.
‘De mens verdedigt zijn land,’ begrijpt de muskusrat, ‘maar wij gaan door met onze leefwijze. We kunnen niet anders.’
Kennelijk heeft dit dier verbinding met soortgenoten en weet hij hoe mensen met ze omgaan. Ik kan dan ook vragen wat hij ervan vindt dat er zo op ze gejaagd wordt en de manier waarop ze gedood worden.
‘Natuurlijk wil je weg maar wij kennen geen angst voor de dood. Het is een eeuwig doorgaan.’
Dit hebben dieren me al vaker verteld en de rust die er van deze constatering uitstraalt, is aannemelijk. Ik hoop dat ik het kan overnemen in mijn denk- en ervaringssysteem.
De muskusrat laat me als laatste ervaren hoe hij intensief bezig is met zijn omgeving en vertelt dat de rust van de avond en de nacht heerlijk is.
Rond dit dier straalt een rust en gemoedelijkheid die ik hoop de hele dag bij me te dragen. Echt een cadeautje, zo’n ontmoeting!

maandag 28 september 2009

De slang

De foto van deze slang is gemaakt in Amerika.
Als ik contact maak met hem, laat hij zich vanuit de beschutting zien.
‘Je kunt mij geen kwaad doen?’ vraagt hij. ‘Er is altijd veel paniek als ik me laat zien.’
Ik vertel hem dat mensen vaak bang zijn voor slangen.
Het is even stil en ik voel veel serieusheid.
‘Vreemd …,’ hoor ik dan, ‘Wij hebben meer van mensen te vrezen.’
Hij laat zien dat mensen voor hen wegschieten en daarbij laat hij vooral het wegschietende energieveld van mensen voelen.
Volgens de slang zou er niks aan de hand zijn tussen mens en slang als ieder z’n eigen leven zou leiden.
Hij vertelt zon nodig te hebben en verder wil hij met rust gelaten worden.
Kennelijk geef ik hem het beeld van slangen bij huizen want hij vertelt dat huizen warm kunnen zijn en dat het goed vertoeven is daar.
‘Het is beter bij huizen weg te blijven maar voor meer dieren is de verleiding groot,’ weet hij te vertellen.
Op mijn vraag wat huizen te bieden hebben, antwoordt hij: ‘Eten en warmte. Maar het gebrek aan communicatie maakt dat er niet valt samen te leven. Ik zou wel willen overwinteren in een huis maar het risico is te groot. Je kan eruit gezet worden.’
‘En dan?’ vraag ik.
‘Ja, precies, dan weet je niet wat er gebeurt.’
Ik vraag hem naar zijn aard.
‘Ik ben op mezelf. Ik weet wat er om me heen gebeurt maar ben dan weer graag op mezelf.’ Hij laat zichzelf zien als een dier dat even om zich heen kijkt en de situatie in zich opneemt en zich dan weer afsluit in zichzelf.
Ik wil graag nog even weten hoe het voelt om slang te zijn en ik mag ‘een ritje’ meemaken. Ook nu valt me weer op dat elk dier goed is zoals hij is. Ik mis hier bijvoorbeeld helemaal geen poten. Ik moet er zelfs niet aan denken als ik in dit slangenlijf zit om poten te hebben en boven de grond te moeten gaan rennen!

De welpen

Het lijkt me leuk om contact te maken met deze welpen.
Ze zijn inmiddels een jaar ouder dan op deze foto.
De voorste welp rolt zich op zijn rug als ik me voorstel. Hij gaat er lekker uitdagend voor liggen.
Iets waarschuwt me dat het niet goed is om verder te gaan met dit contact.
Ik weet niet precies wat en waarom. Waarschijnlijk heeft het te maken met zijn leeftijd en de plaats die hij inneemt of wil gaan innemen in de groep.
Omdat ik inmiddels geleerd heb naar mijn innerlijke stem te luisteren, groet ik deze welp vriendelijk en trek ik me terug.

De dikdiks (2)

Ik weet helemaal niks van dikdiks en zonder voorinformatie over deze dieren ga ik verder met het gesprek. Ik ga er vanuit dat dikdiks kuddedieren zijn en vraag of ze vrienden maken in de kudde.
‘Vrienden? Er is gelijkwaardigheid, eensgezindheid. Vrienden maken is in hokjes denken. Bij ons telt iederéén mee.’
Ik zit een beetje ‘interessant’ te doen en vertel dat als wij mensen het over een kuddegeest hebben, we het vaak negatief bedoelen.
‘Als de kudde de goede kant oploopt, is er niks mis,’ antwoordt hij. ‘Je moet kijken wie de koploper is.’
Hij vertelt dat zij een eenheid zijn en als ze in actie moeten komen weet iedereen wat hij moet doen.
‘De kracht zit in de eenheid van de groep. Wij weten onze plaats en weten wat wij moeten doen.’
Hij klinkt zo zelfverzekerd dat ik vraag of hij tips voor ons mensen heeft.
‘Oriënteer je. Ken je plaats. Weet wat je plek is in het universum, dan is het leven niet moeilijk.’
Als ik na het gesprek op internet informatie zoek over dikdiks, zie ik dat het helemaal geen kuddedieren zijn! Tot nu toe is de informatie die ik achteraf zoek altijd een bevestiging.
Ik ga dus terug naar deze dikdiks en zeg dat ik gelezen heb dat ze helemaal geen kuddedieren zijn.
‘Als jij iets niet begrijpt, wil het niet zeggen dat onze info niet klopt,’ antwoordt hij. ‘Wij hebben een groepsgeest die fysiekoverstijgend is.’
Hij laat het beeld zien van een paartje waarvan er één over is. Als ik het goed begrijp, gaat zich een netwerk in werking stellen die zorgt dat dit dier weer een partner krijgt.
‘De verdeling van de kudde over het land is om de soort te laten overleven,’ geeft hij door. Daarbij krijg ik het idee dat een kudde makkelijker is op te sporen dan twee dieren.
Ik ben geloof ik een beetje in de war ben dat mijn info van hem niet overeen kwam met wat ik las want ik hoor hem een beetje meelijwekkend zeggen: ‘Je begrijpt het nog niet helemaal …’
Nee, ik geloof inderdaad dat er dingen zijn die mijn pet te boven gaan. Wat voor mooi systeem hebben deze dieren waarvan wij het bestaan niet weten?

De dikdiks (1)

De dikdiks vertellen meteen niks tegen mensen te hebben.
Ze laten zien snel en vluchtig te zijn als de wind.
Ik merk voorzichtig op dat hun lichaam er best gevuld uitziet.
‘Het gaat om je aard,’ merkt de voorste dikdiks op. ‘Die is licht dus mijn lijf is geen last.’
Als ik opmerk dat ze prooidieren zijn, wordt verontwaardigd gereageerd dat het net lijkt of ze wandelend voedsel zijn.
Ik zie mijn beperkte blik en vraag of ze iets meer van zichzelf kunnen vertellen.
‘Wij genieten van wat de aarde te bieden heeft: warmte, zon, ruimte, geuren, voedsel, een lichaam om te kunnen verplaatsen.’
Ze vertellen dat ze ontredderd zijn als ze alleen zijn. ‘Dat voelt naakt, overgeleverd. Samen opletten is makkelijker dan alleen opletten.’
Als ze leeuwen zien sluipen, weten ze dat die honger hebben. Ze gaan zich dan zo formeren dat ze als groep weg kunnen komen. Ze vertellen ook dat leeuwen niet meer pakken dan ze nodig hebben.
Ik vertel hen dat wij mensen zouden proberen om zoveel mogelijk te pakken.
‘Daar heb je niks aan,’ antwoorden ze. ‘Als je meer pakt dan je kunt verwerken, gaat het rotten.’
De achterste dikdiks is serieuzer dan de voorste en hij gaat verder op mijn vragen in.

vrijdag 25 september 2009

De orang-oetan

Ik kreeg deze foto zonder verdere informatie toegestuurd en wist niet goed wat ik ermee aan moest. Is het dier vrij of gevangen?
Tijdens het moment waarop ik contact maak met dieren laat deze orang-oetan me geen keus: hij dringt zich op en zonder foto, met alleen zijn beeld voor me, maken we contact.
Hij laat wantrouwen zien en ik voel een vorm van agressie. Het voelt puntig, boos, geagiteerd.
Ik spreek uit dat ik zijn boosheid opmerk en de boosheid wordt erger. Hij laat zich zien terwijl hij hard met zijn handen op de grond slaat.
Ik bewaar al mijn rust en hij geeft door absoluut niet rustig te zijn.
‘Ik wil me niet laten zien,’ laat hij weten. ‘Ik wil diep in de bossen leven. Ik wil geen mensen zien. Ik wil leven zoals voor mij bedoeld is. Maar dat kan niet.’
Hij voelt zich gevangen. Het is voor mij onduidelijk of hij werkelijk achter hekken van mensen zit of dat hij zich gevangen voelt omdat zijn gebied te klein is.
‘Stress hoort niet bij mij,’ gaat hij door. ‘Van oorsprong hebben wij een enorme innerlijke rust. Het is te klein om me heen. Dat geeft stress.’
Hij laat het mij ervaren: ik voel een nare druk in mijn hoofd en de neiging om het lichamelijk te uiten door op dingen te slaan. Het is een vreselijk opgefokt gevoel dat absoluut niet prettig is! De tranen springen me er van in de ogen.
Ik vraag of hij namens zichzelf spreekt of namens zijn soort in het algemeen. Het lijkt of hij nu woordvoerder is van zijn soort.
De innerlijke rust is ver te zoeken, voel ik nog steeds en het opgefokte is absoluut niet fijn.
‘Ik wil schreeuwen: laat ons met rust!’ zegt de orang-oetan. ‘Wij staan nu ver af van wie we van oorsprong zijn.’
Ik vertel het dier dat ik niks voor hem kan doen. De enige mogelijkheid die ik heb, is hem de Violette vlam aanbieden. Deze helende en genezende vlam heeft al veel dieren, mensen en situaties geholpen.
De orang-oetan komt in de vlam meteen tot rust en nestelt er zich heerlijk in. In no time ligt hij opgekruld en slaapt. Ik laat hem en de vlam met rust en ga in gedachten het land om hem heen in om andere orang-oetans de vlam ook aan te bieden.

donderdag 24 september 2009

De amazone (reactie lezer)

"Ik heb het verhaal van de amazone gelezen en geloof dat het wel een mooi universeel verhaal is.
Wij mensen zijn ook allemaal 'geïmporteerd' naar de aarde, zitten lekker gevangen in onze fysieke beperkingen, zijn ook 2/3 meer dan het fysieke en alleen op geestelijke kracht kunnen we eruit ontsnappen.
Het doet me ook wel denken aan mijn eigen 'gevangenschap' - ik ga ook heel hard gillen soms! Dan bedoel ik de 'protesten' van sommige mensen tegen mijn ontwikkeling richting licht - mensen die denken mij klein te moeten krijgen, te moeten vangen, gevangen proberen te houden of aan me zitten te trekken.
En dat alles laat ik zelf gebeuren natuurlijk, tenzij ik me net als de amazone VRIJ VOEL!
Dus de geestelijke kracht van de amazone is dat ze zich kan voorstellen dat je in bomen zit, terwijl je daar in deze fysieke wereld niet in zit.
Zo doe je dat dus, ontsnappen..."

woensdag 23 september 2009

De bomen

In al de jaren dat we met ons schip op deze plek liggen, zijn de bomen langs de walkant met rust gelaten.
Maar een paar dagen geleden stond er iemand van de gemeente die vertelde dat de bomen gesnoeid gaan worden. En dat gaat rigoureus met wilgen!
Ik vertelde van alle vogels die in de bomen zitten. En dat hier ijsvogels zijn, een soort die de afgelopen winter flink uitgedund is.
Het mocht allemaal niet baten en ik besloot me er bij neer te leggen.
Maar het zit me uiteraard niet lekker. Dan krijg ik het ‘Zwartboek Natuur in Zutphen 2009’ onder ogen.
Wat nu?
Ik besluit het de bomen voor te leggen. Als je met dieren kunt communiceren, kun je namelijk ook met bomen communiceren.
De bomen vertellen het al te weten. En ze zijn minder paniekerig dan ik.
‘Wij leven door. We beginnen opnieuw. Wij hebben onze functie gehad.’
Ik vraag hoe het moet met alle vogels die zo’n gebruik van hen maken.
‘Vraag of het in etappes kan,’ is hun advies. ‘Wij gaan door!’
Ik ben blij dat ik het de bomen gevraagd heb. Het neemt de zorg van mij wat weg.
Ik hoor nog: ‘Informeer eerst en oordeel dan.’
De informatie vragen slaat hier op het vragen aan de bomen.
Wat ik me nog afvraag is of de bomen de vogels informeren. De tamtam in de natuur werkt goed, weet ik, maar ik weet niet hoe de uitwisseling tussen verschillende soorten gaat.
Dat zou ik de vogels dus moeten vragen.Zo houdt de omgeving me wel bezig!

Het schelpdier

Het water in de IJssel staat momenteel erg laag. Op het strandje, zoals ik dat altijd noem, zag ik steeds rare figuren. Ik vroeg me vaak af of het vissen waren die dat veroorzaakten. Tot ik doorhad dat schelpen die vormen maken.
Op een dag pakte ik er een op en een wit dier trok zich terug. Ik merkte dat ik niks van schelpen en hun inwoners weet. Tijd om eens met een van hen te communiceren!
Ik kies een schelp die zich aardig in het zand genesteld heeft en het witte dier trekt zich meteen terug en sluit zijn schelp.
Thuisgekomen neem ik hem in mijn hand en begin te vertellen over mijn verbazing dat zo’n weekdier zulke diepe geulen kan maken.
‘Er zit wel kracht in ons,’ hoor ik. ‘Ik kan de schelp rechtop zetten.’
Ik vertel nogmaals dat het me verbaast dat weekdieren zo krachtig zijn.
‘Wij nemen de tijd.’
Wat ik van hem meen te begrijpen is dat ze de diepe voren in het zand maken om vocht binnen te krijgen en dat de ondiepe voren zijn om zich te verplaatsen.
Het schelpdier heeft iets ondeugends over zich. Ik ben me ervan bewust dat ik hem een eigenschap toedicht die misschien niet bij hem past maar zo voel ik het wel.
Hij reageert dat hij vaak niet thuis geeft (door zijn schelp dicht te doen) en dat hij lol heeft in zijn eentje. Hij laat zichzelf zien als een gluurder: vanuit de veiligheid/geborgenheid bekijkt hij de dingen.
Ik vertel hem dat ik op internet las dat deze dieren niet aaibaar zijn en dat daarom niet veel aandacht aan ze besteed wordt. Hoe vindt hij dat?
‘Mijn wereld is niet jouw wereld.’ Met andere woorden: de waardering hoef ik niet van jullie.
‘In mijn wereld functioneer ik op en top.’
Ik merk op dat ik hem op zijn manier wel actief vind. Heel anders dan de kwal of de teek.
Dan laat ik hem zien dat ik hem vast heb.
‘Ik voel me heus niet minder dan jij, hoor,’ hoor ik en daarbij doelt hij op mijn armen en handen waar ik van alles mee kan.
‘Voor wat ik doe, heb ik genoeg,’ vult hij aan. ‘Het is goed zo.’
Ik probeer nog of ik hem 'open kan praten', zodat ik hem kan zien maar daaraan geeft hij geen gehoor. Waarom zou hij ook, denk ik gniffelend na de kleine teleurstelling dat hij dat niet deed (ik had het fototoestel al in de aanslag).
Op het moment van afsluiting van het gesprek vertel ik hem dat ik het idee heb dat ik niet veel wijzer geworden ben.
‘Jij wilt ook veel te veel weten,’ vindt hij.
Als ik mijn aantekeningen uitwerk, vind ik echter wel dat ik een stukje wijzer geworden ben.
‘Het is goed zo …’, zei hij.
Wie van ons kan dat nou op elk moment van de dag zeggen?

dinsdag 22 september 2009

De bruinvis (2)

Op de een of andere manier verloopt het gesprek niet soepel en ik vermoed dat ik de storende factor ben.
‘Is het moeilijk om mij wat bij te brengen?’ vraag ik dan ook.
‘Je bent onzeker,’ antwoordt de bruinvis. ‘Je kijkt steeds in je hoofd of je mijn informatie kunt plaatsen.’
Dat vermoeden had ik al en we gaan voor de herhaling. Ik maak me weer helemaal leeg zodat ik zijn boodschap kan ontvangen.
‘Wij willen ons settelen,’ begint hij vol geduld opnieuw. ‘Daarom trekken we zomers niet weg. Wij horen langs de kust. Wij zijn een brugfunctie naar een grotere wereld. Wij brengen vrede. Maar de groteren zijn achter ons.’
Dan vertelt hij dat er een verbindingsnet rond de aarde komt.
‘Wij hebben daarin een brugfunctie.’
‘Is dat wat ik moet weten?’ vraag ik.
‘Dit moet je voorlopig weten. Meer kan ik je niet vertellen. Vraag een dolfijn. Ik ben een kleine schakel in het geheel.’
Ik gebruik nog even mijn hersenen om te kijken of ik nog wat moet vragen.
‘Je zei in het begin dat jullie de aandacht afgelopen weekend eerst als bedreigend hadden ervaren. Hoe kan ik dat plaatsen met deze verdere informatie?’
‘Onze verbinding is op mentaal niveau. Niet op fysiek niveau,’ legt hij uit.
Hij sluit af met: ‘Vraag een dolfijn!’

De bruinvis (1)

Afgelopen weekend zijn er zo'n dertig bruinvissen in de Oosterschelde geteld door Stichting Rugvin en het Wereld Natuur Fonds. Ze vragen zich af waarom de bruinvissen zomers niet vertrekken naar het noorden.
Alhoewel ik geen foto heb (wel gezien op internet) probeer ik toch contact te maken met een van de bruinvissen.
Er treedt een mannetje naar voren die het gesprek met me voert.
Hij vertelt eerst al die aandacht als bedreiging gezien te hebben. Er was veel gefocuste aandacht voor hen. Ze wisten niet precies wat de bedoeling was.
Om wat kennis te maken met elkaar vraag ik hem of ik wat van hem mag voelen. Hij laat me even rustig met zich mee zwemmen en ik ervaar een heerlijke rust.
Hij legt uit dat er geen paniek in hen is. Als er paniek of onrust is, dan komt dat van buitenaf.
Ik vraag wat ze hier komen doen.
‘Wij zijn de verbinding tussen mens en oceaan. Wij zijn een brugfunctie langs de kust. Wij tonen het begin van de grootsheid van de oceaan.’
Hij vertelt verder dat dolfijnen een heel verfijnd netwerk hebben.
‘Wij zijn meer ‘land’dieren. Als wij stranden of vastzitten, kunnen mensen ons zien.’
Ik ben verbaasd dat hij zo laconiek is over het stranden of vast komen te zitten in netten (dat had ik gelezen op internet) en vraag verbaasd: ‘Jullie willen je tonen? Wat is jullie boodschap eigenlijk?’
‘Kijk naar ons. Zie ons. En weet dat alles daarachter nog groter en mooier is.’
De boodschap gaat er kennelijk niet goed in want ik stel de vraag nog eens duidelijk.
Weer hoor ik: ‘Kijk naar ons! Wij zijn als profeten die wijzen naar een betere wereld. Hoe verder je gaat, hoe grotesker en verfijnder.’
‘Een aangespoelde bruinvis is dus geen foutje?’ ga ik even terug op wat hij eerder zei.
‘Wij maken geen foutjes,’ verzekert hij me.
‘Met ons verschijnen ‘schreeuwen’ wij om aandacht voor de natuur. Wij vertellen van een grotere wereld.’

De amazone (2)

Vandaag vertelt de vogel dat ze in bomen hoort. Ze laat me zien hoe het licht door de bladeren speelt en zelf zit ze daar tevreden haar veren te verzorgen.
De mensen van de vogelopvang waar ze nu zit, vermoeden dat ze illegaal geïmporteerd is. Bovenstaand beeld zou uit die periode kunnen stammen. Ze is nu nog in quarantaine en ik denk niet dat ze nu al in bomen zit.
Ze vertelt dat mensen haar niet kapot krijgen: ‘Ik hervind me.’
Onze eigen ara maakt op dit moment buiten lawaai en ik laat deze vogel zien hoe onze ara leeft.
‘Ik hoef het echt niet,’ stelt ze nogmaals vast.
Ik zeg haar dat ze in dat huis wel leuk reageerde op speelgoed.
‘Ik ben nieuwsgierig en vrolijk van aard. Dan ga je wel spelen,’ legt ze haar gedrag uit.
Dan vertel ik haar dat ze me had laten voelen hoe zo’n krijsbui voelt en ik weet nog wat voor rotgevoel dat in mijn hoofd gaf. Ik vraag of ze er iets over kan uitleggen.
‘Schuif ervoor en wegwezen!’ Ik weet meteen wat ze bedoelt als ze dat zo zegt: het voelde ook alsof er een metalen plaat door het midden van mijn hoofd ging. Het voorste deel was vaag, dat was waar de mensen zich bevonden. Het achterste deel, waar zij zich bevond, was één grote pijnlijke chaos.
‘Het schreeuwen is mijn redding geweest,’ stelt ze vast. ‘Ik moest wel duidelijk zijn.’
Ik vraag of ze zich zou hebben kunnen aanpassen.
‘Dan zou ik zó ver van mijn kern verwijderd zijn …’
Dan komen we tot een leuke conclusie: ik noem het schreeuwen onaangepast maar zij zou het onaangepast gevonden hebben als ze zich als een brave huispapegaai had gedragen.
‘Ik kon niet anders. Anders zou ik wegkwijnen, verpieteren.’
Ik vraag haar of ze iets aan ons, mensen, te zeggen heeft.
‘Ja. Bemoei je niet met iemands kern. Trek dat niet uit elkaar en naar je toe.’
Daarbij laat ze het beeld zien van een uitgerekte persoonlijkheid (als een lang stuk gummi) dat mensen naar zich toe willen trekken maar dat kapot gaat bij teveel trekken.
We nemen afscheid en de vogel laat zich weer tevreden zien: ontspannen haar verenpracht verzorgend.

De amazone (1)

Als ik contact maak met deze vogel, herkent ze me laat ze een opgewonden houding zien.
Ik vraag hoe het met haar gaat.
‘Ik ben blij!’ vertelt ze enthousiast.
Met deze amazone heb ik een aantal maanden geleden contact gehad omdat de mensen bij wie ze in huis was, helemaal gek werden van haar geschreeuw.
Het was het eerste dier dat ik huiswerk had meegegeven: Ik had haar de situatie in huis laten zien en hoe het zou zijn als ze weer terugging naar de vogelopvang. Ze kreeg een week de tijd om na te denken wat ze het liefste wilde.
Binnen de week kreeg ik een mail dat de mensen haar terug gingen brengen omdat ze inmiddels zelf het huis ontvlucht waren.
Deze vogel was doelbewust harder gaan krijsen om haar keus duidelijk te maken en dat vertelde ze me destijds ook.
Op dit moment zit ze weer in de vogelopvang en er is beloofd dat ze nooit meer in een huis geplaatst zal worden.
Ik vraag deze vogel (die liever geen naam meer heeft) wat ze van de communicatievorm met mij vond.
‘Ik ben blij dat ik wat te vertellen had. Als iets mij niet aanstaat, schreeuw ik.’
In de gesprekken destijds bleek al dat het hier gaat om een heel sterke vogel.
Het verhaal ging dat ze zeven jaar onder een doek in een kooi had geleefd. De mensen die haar uit de vogelopvang hadden meegenomen begrepen bij thuiskomst pas dat het dier zo enorm krijste. Ze hadden veel geduld maar na een aantal weken brak het zowel hen als de buren flink op.
De vogel liet mij weten dat die periode onder de doek haar niet klein had gekregen. Ze liet het beeld zien van 1/3 deel van haar dat onder de doek zat en 2/3 dat daar boven zweefde.

maandag 21 september 2009

Petitie 'Stop de Rodeo Europe Tour'

Veel mensen zetten zich op hun eigen manier in voor een betere wereld (mens/dier/natuur).
Niemand kan in zijn eentje de wereld veranderen maar allemaal proberen een stukje iets beter te maken is wel mogelijk.
Vandaag heb ik een minimale inzet geleverd en de petitie tegen rodeo's getekend.

Voor wie dat ook wil doen: http://www.cas-international.org/nl/help-mee/protesteer/rodeos-europa/

Natuurlijk leiderschap (filmpje)

De Afrikaanse dieren hebben veel te vertellen en het zijn tot nu toe indrukwekkende contacten geweest voor mij.
Het blijkt dat meer mensen geboeid zijn door deze dieren.
Cor Gillissen heeft IVVL (Instituut Voor Vernieuwend Leiderschap, leiderschap vanuit natuurlijke wetten) opgericht.
Hij organiseert reizen naar Afrika op het gebied van leiderschap.
Het is erg leuk om onderstaand filmpje (7 minuten) te bekijken.

http://www.youtube.com/watch?v=HXZKTDmuhSQ

De cheeta

Het is even zoeken hoe ik deze dieren benader. Ze hebben erg veel aandacht voor elkaar en ik kom er niet tussen. Daarom vraag ik de voorste cheeta of die met me wil praten.
Er is wat irritatie: ‘Wat wil je dan toch? Ik begrijp je interesse niet. Ik vraag jou toch ook niet?’
Ik leg de cheeta uit dat mensen al veel onderzoek hebben gedaan naar gedrag en leefomgeving van dieren en dat mensen veel van dieren kunnen leren.
Dit wekt zijn interesse en hij gaat zitten en neemt tijd.
Ik ga door met mijn uitleg dat op deze manier communiceren en informatie naar boven halen nog niet zo bekend is maar dat het wel heel interessant is voor ons om te weten wat er in dieren omgaat.
Hij begint te vertellen: ‘Ik kan hard rennen. En ben een goed strateeg. Wij rennen niet zomaar. Wij weten goed de richting en volgen strakke lijnen. Voor ons geen energieverlies door omwegen.’
Hij laat me heel duidelijk voelen: dit is de weg en die ga ik! Recht op zijn doel af, zonder veel omhaal. Bijzonder efficiënt.
Hij vertelt niet zozeer een groep te hebben.
‘Ieder gaat zijn eigen weg. We zijn allemaal sterke individuen. Er is gelijkwaardigheid. We zijn soms wel samen maar staan op onze eigen poten.’
Ondanks de informatie die hij doorgeeft is hij niet van de babbelige en dat zeg ik hem ook.
‘Nee, dat is niet efficiënt. Ik richt me. Zijwegen zijn niet aan mij besteed. Ik zie de zijwegen niet eens. De weg naar mijn doel is recht.’
Deze sterke efficiëntie is mij vreemd, ik krabbel bij wijze van spreken es op m’n hoofd en vraag hem of hij wel eens geniet en geluk kan ervaren.
Hij geeft het beeld dat uitrusten een vorm van geluk is maar zegt daarbij: ‘Alles is efficiëntie, uitrusten dus ook.’
‘Kunnen jullie wel plezier hebben?’ vraag ik hem. ‘Het lijkt of jullie alles ontzettend op de rit hebben.’
Binnen deze communicatie is er sprake van wederkerigheid en de cheeta heeft mij inmiddels ook al bekeken: ‘Jij zwalkt. Je ziet overal wat. Het houdt je van je weg af. Jij maakt heel wat afstanden voor je bij je doel bent. Als je dat doel al haalt …’ voegt hij eraan toe.
Hij legt uit dat met veel zijwegen kracht verwaaiert.
‘Geleid het, geef het grenzen en je kracht is enorm. Niet elke weg is voor iedereen bestemd. Je hoeft dus niet alles te zien,’ vindt hij. ‘Focus, ga en dan heb je uitrusttijd. Daarna is het weer: focus, ga, uitrusten.’
Ik vertel hem dat het inderdaad niet mijn stijl is maar zoals hij het me laat ervaren voelt het wel goed.
Ik vraag de cheeta of hij wat van mensen zou willen leren.
‘Mensen zijn veel minder krachtig. Ze zijn geen partij voor mij,’ zegt hij.
‘Mensen hebben verdeeldheid in zich. Dat hoef ik niet.’
Hij laat me een rilling voelen bij het ‘watjes-gedrag’ van mensen.
Ik zeg: ‘Mag ik je hartelijk bedanken voor dit gesprek?’
‘Ik hoop dat je er wat aan gehad hebt. Ik heb tijd voor je gemaakt.’
Het is mij volkomen duidelijk dat deze cheeta niet aan verspilling van tijd en energie doet dus ik hoop dat ik zijn informatie inderdaad goed ga gebruiken. Opdat er niets verloren ga …

De mot

Iemand stuurt een foto van een motje en heeft daarbij de vraag wat deze mot haar te vertellen heeft.
Als ik contact maak, kijkt de mot me met grote ogen aan. Ik vraag hem waarom hij me zo aankijkt en ik krijg de vraag terug waarom we zo’n lange omweg maken om hem te vragen of hij wat wil vertellen.
‘Nou ja,’ mompel ik, ‘Zo gaat dat gewoon. Iemand heeft een vraag, stuurt een foto, ik maak contact, schrijf het op, koppel het terug …’
Het komt mij ineens ook allemaal omslachtig voor, maar ja, niet iedereen kan verstaan wat er in een motje omgaat.
Het is een heel aardige mot die vertelt dat hij vooral komt kijken.
Hij vindt dat er een prettige, open sfeer in het huis is en hij vermaakt zich daar goed.
Ik ga een beetje lelijk doen door hem te zeggen dat hij niet zo mooi is als een vlinder en dat maakt het voor mensen misschien wel wat minder aantrekkelijk om hem in huis te hebben.
Hij laat zich niet uit het veld slaan: ‘Wij hebben de franje en bombarie niet nodig. Heb je mij wel eens goed bekeken?’
Ik moet toegeven van niet en hij nodigt me uit om dat eens te doen.
Ik ga nog even door met mijn rotopmerkingen en stel dat ik motjes vrij dom vind.
‘Dat is jouw plaatje van ons,’ antwoordt hij rustig. Hij vertelt dat ze gefascineerd zijn door het licht.
‘Kijk naar me hoe ik ben in al mijn eenvoud,’ zegt hij. ‘Ik hou van rondkijken.’
‘Vind je het niet erg dat je geen mooie kleur hebt en geen waardering krijgt?’
‘Mijn kleur zit binnen in mij.’
‘Maar dat kun je niet zien …’
‘Je weet het nu toch?’ Het motje toont zich als een blij, opgeruimd dier zonder poespas en ik heb absoluut sympathie voor hem.
‘Wat zeg ik dus tegen die vrouw? Ze wilde graag weten wat jij haar te vertellen hebt.’
‘Zeg haar: mijn schoonheid zit van binnen.’
‘Dus je bent niet zo grauw als je eruit ziet?’
Het motje lijkt lol te hebben om mijn domheid om me door het uiterlijk te laten beïnvloeden.
‘Zeg haar ook maar dat ik graag in haar huis blijf. Ik vind het erg leuk daar.’

zondag 20 september 2009

Petitie 'Stop de bijensterfte'

De petitie 'Stop de bijensterfte' al ondertekend?
Nee??
Het is wel belangrijk dat er aandacht aan wordt besteed, hoor, want zonder bijen geen leven!
Momenteel zijn er 28.000 handtekeningen verzameld. Het streven is er op 1 oktober 40.000 te hebben.
Gaat toch lukken?

http://www.petities.nl/petitie/stop_de_bijensterfte/

donderdag 17 september 2009

Mijn eigen olifant

Het gesprek met de olifant heeft onverwachte gevolgen voor mijzelf gekregen.
Tijdens een van mijn roefmomenten (de roef is de plek van waaruit ik meestal met dieren communiceer) werd ik terechtgewezen en werd me verteld dat ik soms 'olifantengedrag' vertoon.
Ik wist meteen dat het ging om het niet altijd serieus nemen van mijn mogelijkheden om contacten te leggen in andere dimensies.
Is het toeval dat ik de volgende dag bij de Boekerij in Zutphen een prachtige olifant zag staan?
Ik heb hem meteen gekocht en hij staat vanaf nu symbool voor het serieus nemen van mezelf op dit terrein!


De jakhals

De jakhals laat een grote oplettendheid zien.
Ik vertel dat iemand me eens vroeg of een dier weet wat voor dier hij is. Ik had beloofd dat bij gelegenheid een dier te vragen en leg het de jakhals voor.
‘Ga je domme vragen stellen?’ ketst ze terug. ‘Ik weet tot in elke vezel van mijn lijf wat voor dier ik ben!’
Ze laat me jongen zien en daaruit concludeer ik dat ze op dit moment een stel ‘pubers’ te verzorgen heeft en ik ga ervan uit (terecht of niet) dat ik met een vrouwtje praat.
Dan vertel ik haar dat ik kortgeleden hoorde dat iemand een jaar een jonge jakhals als huisdier had.
Ze reageert met afgrijzen: ‘Mijn god, daar is een jakhals niet voor bedoeld!’
Ik zeg dat het om een dierentuindier ging en de maag van de jakhals draait meteen om.
‘Véél te weinig ruimte!’ zegt ze. ‘Wij rennen. Maken afstanden. Hebben ruimte nodig.’
Ik ga even door met mijn ‘kennis’ van de jakhals en zeg dat deze jakhals zich sterk aan één persoon hechtte.
‘Ja, natuurlijk! Die is een voorbeeldfunctie tot in de volwassenheid!’
Ze vertelt graag in de zon te liggen.
‘Jagen is een noodzaak om te overleven. Liggen, genieten, er gewoon ‘zijn’ is het beste. Honger is een prikkel om op te staan.’
Ze vertelt wel te genieten van het rennen en ze zegt ook dat ze dat erg goed kan.
Ik weet niet meer goed wat te vragen en zeg dat ook.
‘Dan ga ik weer lekker in de zon liggen,’ hoor ik. ‘Heb jij geen zon?’
Ik laat de jakhals de binnenkant van ons schip zien en ze vindt het erg veel spullen. Als we bij onze huisdieren komen, hoor ik: ‘Loopt je eten daar rond?’
Ik geef beelden van wat huisdieren voor ons betekenen maar ze luistert niet goed. Het is allemaal veel te klein voor haar.
‘Ik zou door de muren vliegen!’ Ze geeft me het beeld van een hard heen en weer rennende jakhals in ons schip.
‘Ik zou niet met je willen ruilen! Ik ga lekker in de zon liggen!’
We wisselen nog even uit dat ik me niet goed zou vermaken op de Afrikaanse vlakte.
De jakhals roept me na: ‘Succes met al je spullen! Ik ben blij dat ik het zo niet hoef!’

De buffel

De buffel straalt een enorme rust uit.
Ze vertelt dat ze de zinderende hitte goed aankan.
Het lenige gevoel dat ik doorkrijg, verbaast me. Andere dieren (de bizon, de Schotse Hooglander) voelden veel logger aan.
‘Wij kunnen rennen,’ legt de buffel uit. ‘We zijn licht als een veertje. Het zware is aan mij niet besteed.’
Op mijn vraag wat ze doet, zegt ze dat ze voor de jongen zorgt en zorg draagt voor de groep.
‘Wij trekken als een geheel rond.’
Ze laat ook zien dat ze weet dat ze voeding voor roofdieren is. Daar kan ze niet mee zitten.
Ik word een beetje slaperig van dit gesprek. Meestal is dat bij dieren die niet veel te vertellen hebben of een heel laag bewustzijn hebben. Dat lijkt me hier niet aan de orde en ik vraag aan wie van ons beiden de slaperigheid ligt.
‘Ik heb niet veel te vertellen,’ zegt de buffel. ‘Ik ben veel met de jongen bezig. Het is belangrijk dat ze evenwichtige dieren worden. De kudde kan alleen door met evenwichtige dieren. We kunnen niet steeds stoppen voor uitspattingen van groepsleden.’
Dit vind ik een interessant onderwerp en ik vraag: ‘Dus je investeert in de jongen voor een vloeiende voortgang later?’
‘Ja. Als iemand zich niet conformeert valt hij er buiten en is hij verloren.’ Ze geeft het beeld van roofdieren en dat een buffel zich dan niet alleen kan redden.
Ik geef de buffel beelden van hoe mensen soms met kinderen omgaan en hoe desastreus dat kan verlopen als ze volwassen zijn.
De buffel reageert: ‘Nogmaals: je moet investeren in het jonge leven. Veel liefde en aandacht geven. Iemand die tekort is gekomen gaat stuntelen. Het komt bij ons niet veel voor. Als de ouders overlijden, wordt het jong door de groep opgenomen.’
Ik vertel van de kreupele bizon. De buffel herkent dit deels. Ze zegt erbij dat een moeder zich soms niet kan losmaken van een ziek, lichamelijk onvolwaardig jong.
‘Dan blijven ze samen achter en sterven. De band is dan te sterk. Wij pushen niet. Het is de keus van de koe.’
Ik vraag de buffel waarom ik bijna in slaap viel als ze zoveel interessants te vertellen heeft.
‘Het is voor mij zo gewoon dat ik vergeet erover te vertellen,’ legt zij uit. ‘Maar ik begrijp van jou dat het bij mensen anders kan gaan. Wij hebben een oerzorg voor alle groepsleden.’
Bij deze simpele constatering schaam ik me voor mijn soort, de ‘hoog ontwikkelde’ mens …

maandag 14 september 2009

De leeuw (2)

Om De leeuw (2) te begrijpen is het noodzakelijk eerst De leeuw (1) te lezen.

Hij legt uit dat de leeuwinnen de sterkste leeuw willen.
‘Als ik dat niet meer ben, dan heb ik pech. Dan moet ik gaan.’
Ik vraag me af of dit niet het ultieme machogedrag is.
‘Nee, macho is stoer. Hier gaat het om kracht. Ieder mag in de ring maar nogmaals: je wordt niet zomaar leeuw.’
‘Wat heb jij gedaan om zo ver te komen?’
‘Ik ben een oude ziel. Ik heb vele levens geleefd en wil al die ervaring bundelen en mijn ware sterkte weten.’
Het gesprek gaat zo anders dan ik gedacht had dat ik vraag of ik later nog es terug mag komen.
‘Ja, en stel je vragen dan wat scherper,’ adviseert hij me.
‘Ik ben geen gesprekspartner voor je?’ vraag ik.
‘Jij zegt het …’ is zijn diplomatieke antwoord. ‘Je had dit niet verwacht, zie ik. Je dacht dat het gesprek over prooidieren ging. Maar dat is al een uitgekookte zaak. Je weet al hoe dat zit. We gaan nu verder. Het gaat over leiderschap.’
Ik neem afscheid van de leeuw en kan de neiging een klein buiginkje te maken niet onderdrukken. Inwendig moet ik glimlachen: ik, die altijd zo’n moeite heb met autoritaire en dominante mannen. Waarschijnlijk is deze ontmoeting in deze sferen niet voor niks …

De leeuw (1)

De leeuw komt dichterbij als ik contact maak en meteen schiet het door me heen dat ik hier met een oude ziel te maken heb.
Hij lijkt iets te herkennen en zegt dat ik als sterrenbeeld Leeuw heb.
Er is iets in hem dat me raakt en zonder nadenken vraag ik of het beeld klopt dat de leeuw koning is.
‘De leeuw is krachtig,’ antwoordt hij.
Dat voel ik meteen. Toch wil ik hem afzwakken en zeg dat er meer dieren zijn met grote kwaliteiten. En dat ook gezegd wordt dat leeuwen lui zijn. Hierbij stuur ik het beeld dat de leeuwinnen op jacht gaan.
‘Dat is uitbesteden. Delegeren. Een koning gaat niet zelf rennen.’
Hij vervolgt: ‘Je wordt niet zomaar leeuw. Je moet een krachtig innerlijk hebben. Je moet over veel zelfvertrouwen beschikken om belangrijke taken uit te besteden.’
In een flits geeft hij me een beeld dat ik begrijp maar niet makkelijk onder woorden kan brengen. Ik doe een poging:
De leider moet kunnen vertrouwen op degenen onder hem. Dat vergt inzicht van hem. De leider moet krachtig zijn. Het werk besteedt hij uit en de leeuw(inn)en onder hem kunnen goed functioneren omdat ze vertrouwen op zijn kracht. De groep kan dus functioneren omdat het met die kracht van de leider goed zit.
‘Een sterke leider hoeft niet veel te doen,’ voegt hij toe.
‘Waaruit bestaat jouw leiderschap?’ vraag ik.
‘Uit de harmonie bewaken. Mijn uitstraling omvat de groep en verder.’
Ik ga toch weer even naar de luiheid van de leeuw en het jagen van de anderen.
‘Dat is shortsighted,’ corrigeert hij me. ‘Zij kunnen werken dankzij mij. Er ligt minder zorg bij hun. Meer werk maar minder zorg. Nogmaals: je wordt niet zomaar leeuw.’
Hij laat zien dat leeuwen een vergevorderde persoonlijkheid hebben en dat jonge leeuwen groeien en groeien.
‘De krachtmeting met een andere leeuw is een test om je kracht te laten zien. Als er een jongere leeuw komt die sterker is, dan is je leiderstijd voorbij.’
Ik vraag hem hoe het zit met het doodbijten van de jonge welpen bij zo’n machtsovername.
‘Je wilt als leeuw een nieuwe groep starten waar je eigen kracht uit blijkt. Zo krijgt iedere leeuw kans zijn kracht te laten zien.’
De vernietiging van jong leven zit me een beetje dwars en ik vraag wat het hem oplevert.
‘Je eigen krachtige groep neerzetten. Niet doorgaan op andermans werk maar zelf iets neerzetten. Het samenstellen van een leeuwengroep is geen broddelwerk.’
‘Maar moeten de jongen dan doodgebeten worden?’ vraag ik.
‘Ja. Hun kans is verkeken.’

De olifant

Iedere keer als ik een gesprek begin, is het voor mij afwachten hoe het gesprek zal verlopen. Al meerdere malen pakte mijn (onbewuste) verwachting anders uit. Zo ook bij de olifant.
Ik ga es lekker stevig in mijn stoel zitten, met het idee van: zó, nu gaat het gebeuren, zo’n groot dier!
De olifant bekijkt me kort en ik hoor: ‘Gaan we serieus doen? Ik maak liever plezier!’
Ik kan me snel herstellen en zeg dat er volgens mij met mij ook best wel plezier te maken is. Ik pas me wel aan, zeg ik hem maar kaats de bal ook meteen terug en vraag hoe hij plezier maakt.
Hij laat zijn bewegende slurf zien: hoe hij met water en zand spuit.
‘De uitbundigheid zit in de slurf,’ legt hij uit.
‘Wij staan stevig op onze poten (daarbij krijg ik het beeld van vier kolossale poten met een massief brok erop, waarmee hij doelt op het zware lijf dat de poten te dragen hebben; kennelijk is het zich zo laten zien zijn vorm van humor) maar de slurf is flexibel.’
Vervolgens laat hij zien dat ze veel lopen en dat ze ondertussen plezier maken.
‘Er is harmonie in de groep maar we maken veel geintjes. Vooral gein.’
Kennelijk val ik wat stil want hij vraagt: ‘Wat wil jij dan? Over serieuze dingen praten?’
Ik vertel dat ik wel vragen heb over zijn leefwijze enzo.
‘Daar heb ik helemaal geen zin in,’ antwoordt hij.
‘Nou, hoe maak je dan plezier als je in een rij door de savanne loopt?’
Hij laat zien dat een van de geintjes is om de ander aan de staart te pakken en dan ineens een rukje te geven.
‘De ander geeft het door. En zo krijg je een schakel van lolletjes,’ lacht hij.
‘Ben jij altijd de lolbroek?’ vraag ik hem.
‘Ik wel. Er zijn er die serieuzer zijn. Je hebt kennelijk de verkeerde getroffen om mee te willen praten.’
Hij zit er niet mee.
‘Is het goed als ik es terugkom?’ vraag ik hem. ‘Dan kun jij je voorbereiden op mij.’
‘Ik zal wel zien of ik dat dan wil!’ lacht hij vrolijk uitdagend.

zondag 13 september 2009

De zebra (het jong)

Het jong (zie het verhaal van zijn moeder) laat weten nog niet volwassen te zijn.
Hij wist dat zijn moeder moeilijk liep.
‘Ik wilde bij haar blijven. Ze joeg me de kudde in en was ineens weg. Ik moest doorrennen met de kudde.’
Hij laat weten haar gezocht te hebben en voelde zich boos en alleen toen ze er niet meer bleek te zijn.
‘Ik heb mijn eigen weg in de kudde moeten vinden. Ik werd door het geheel opgenomen, niet door één speciaal iemand,’ vertelt hij.
Hij blijft in het midden van de kudde lopen, dat is zijn plaats.
‘Aan de randen is het te gevaarlijk. Ik zie het gevaar niet altijd maar als iedereen gaat rennen dan moet je mee voor je eigen veiligheid. Ik ga met de stroom van de kudde mee.’
Deze jonge zebra laat weten zich sterk en stoer te voelen.
‘Ik heb vrienden, ik voel me niet alleen.’
De sfeer rond de zebra is prettig en avontuurlijk. Ook hier kost het me wat moeite om afscheid te nemen.
Van het jonge dier hoor ik: ‘De lijnen die nu zijn gelegd, die blijven.’
Met andere woorden: ook dit gaat niet verloren. Zoals niks verloren gaat.
Met die wetenschap kan ik het gesprek met een glimlach afsluiten.

De zebra (de moeder)

Als ik contact maak met de zebramoeder word ik welkom geheten.
Nu was ik beter voorbereid dan bij de karper op de mogelijkheid dat dit prooidier niet meer hier op aarde zou kunnen zijn.
De zebra vertelt iets aan haar poot gehad te hebben waardoor ze niet snel genoeg meer was.
‘Je probeert weg te komen maar de zwakste wordt gepakt,’ legt ze uit.
Ze laat zien hoe ze haar jong de kudde in heeft gestuurd en toen zelf van de kudde is afgelopen zodat zij gepakt zou worden.
Ik vertel dat iemand me kortgeleden heeft verteld over de bevindingen van Michael Roads over roofdieren en hun prooi: ze hebben een soort afspraak met hun aanvaller en verlaten hun lichaam zodra ze geen kans meer hebben te ontsnappen.
‘Ja, dat weet je,’ antwoordt de zebra. ‘Het is geen probleem. Het is inderdaad een kwestie van snel je lichaam verlaten.’
Ze zegt dat mensen daar niet zo dramatisch over moeten doen. That’s life.
‘Ik heb mooie jaren gehad. Diverse jongen gehad.’
Ze vertelt dat het fijn is op aarde in een fysiek lichaam te zitten. Ze heeft genoten van de aarde, de lucht, het voedsel en de groep.
‘Wij hebben een groepsgeest. Bij aanvallen van roofdieren verdwijnen er individuen maar de groep blijft.’
Ze doet het rustig aan met terugkomen, ze heeft geen haast.
Ik vraag haar of ze wel eens overweegt als huisdier terug te komen.
Ze veronderschuldigt zich bijna als ze uitlegt dat ze erg op haar vrijheid is gesteld.
‘Ik hou van het vlakke land en de ruimte. Ik vind het heerlijk om héél hard te rennen. Ik moet er niet aan denken om als paard in een stal te zijn. Ik wil me niet laten temperen.’

De neushoorn

Bij de neushoorn voel ik meteen de dikke, ondoordringbare huid.
Op mijn vraag om een gesprek krijg ik meteen te horen: ‘Waarom moet dat nou? Waarom ik?’
Na wat aandringen en doorvragen, is het: ‘Nou, vooruit dan maar.’
Hij vertelt erg op zichzelf te zijn. Ik voel ook een kleine, ingetrokken uitstraling.
Hij heeft een houding van ‘bemoei je allemaal niet met mij’ en de dikke huid komt daarbij goed uit.
Hij vertelt erg in zichzelf te zijn en evenwichtig.
‘Evenwichtig somber,’ vertaal ik de gevoelens die ik doorkrijg.
‘Ik ben niet uitbundig,’ geeft hij toe. ‘Ik leef. Verder gebeurt er niet veel.’
‘Geniet je wel eens?’ vraag ik.
‘Genieten is te uitbundig.’
In het water gaan is een noodzakelijkheid, hij beleeft er niet echt plezier aan.
‘Ben je depressief?’
‘Nee, ook niet zwaarmoedig.’
‘Bedrukt?’
‘Bedrukt is teveel emotie.’
‘Neutraal?’
Na even nadenken zegt hij dat zijn stemming iets onder neutraal zit. Hèhè, we zijn eruit!
Ik heb een heel lelijke vraag aan hem: ‘Waarom ben je er?’
Ik durf de vraag nauwelijks te stellen maar zijn antwoord komt meteen: ‘Om rust te vinden in mijn eigen lijf. Het goed vinden zoals het is in al zijn neutraliteit.’
Hij laat zien met zijn neus ruimte te kunnen creëren door erop los te rammen als iets hem niet aanstaat. Ik zou niet graag zijn tegenstander zijn!
Dan laat hij me zien dat hij als neushoorn leert inkeer te krijgen.
Het is allemaal wat somber en ik sukkel in slaap. Als ik wakker schiet, hoor ik: ‘Ik ben ook niet zulk gezellig gezelschap. Laat mij maar, ik vind het wel lekker in mezelf.’
Ik voel me wat schuldig dat ik in slaap ben gevallen en heropen het gesprek.
‘Mijn wapens zijn mijn snelheid en de kracht van mijn neus,’ zegt hij. Ik zie hem zo tegen een boom opknallen.
‘Ik spies iemand er zo tegenaan,’ zegt hij trots, daarbij zijn neutraliteit even verlatend.
‘Waarom?’ vraag ik voorzichtig.
‘Dan zit ie klem. Heb ik er geen last meer van.’
Hij vertelt dat mensen wel in zijn omgeving mogen zijn maar zodra hij last van ze heeft, gaat hij los. De last bestaat eruit dat ze hem irriteren. Dan moeten ze weg.
‘Als ze te lang in mijn buurt zijn, is het genoeg.’
Hij vertelt geen aandacht te willen en een echt teruggetrokken bestaan te willen leiden. Daar heeft hij die dikke huid voor nodig en hij noemt het zelf een ‘oerhuid’.
Als ik hem vraag nog es terug te mogen komen bij hem voor een babbel, antwoordt hij dat ik teveel vraag.
‘Ik heb al meer dan ooit gecommuniceerd.’
Hij vindt het duidelijk meer dan genoeg.